|
|
Ahold schikt massa-effectenclaim in de Verenigde Staten en rechtszaken met de Vereniging van Effectenbezitters (VEB)
.
Amsterdam, 28 november 2005 – Koninklijke Ahold N.V. (“Ahold”) heeft vandaag
bekendgemaakt dat zij een schikking heeft getroffen met de hoofdeisers in de
massa-effectenclaimzaak ‘In re Royal Ahold N.V. Securities & ERISA
Litigation’, welke aanhangig is bij de federale rechtbank van het District of
Maryland in Baltimore, Maryland, Verenigde Staten.
Ahold heeft vandaag ook bekendgemaakt dat zij haar rechtszaken met de
Vereniging van Effectenbezitters (VEB) heeft geschikt.
Ten aanzien van de massa-effectenclaim, zijn de hoofdeisers en Ahold een
schikkingsbedrag overeengekomen van USD 1,1 miljard (EUR 945 miljoen). De
schikking betreft Ahold, haar dochtermaatschappijen en overige aan haar
gelieerde ondernemingen, de individuele gedaagden alsmede de
syndicaatsbanken.
De schikking is wereldwijd en betreft alle daarvoor in aanmerking komende
gewone aandelen Ahold, de zogeheten ‘gualifying shares’. De term ‘gualifying
shares’ verwijst naar al die gewone aandelen die werden gekocht tussen 30 juli
1999 en 23 februari 2003. Volgens voorlopige berekeningen van Ahold zou het
schikkingsbedrag, na aftrek van de advocaatkosten van de eisers, het bedrag van
USD 9 miljoen (EUR 7,5 miljoen) ter compensatie van (een door) de VEB
(aangewezen entiteit) voor het faciliteren van de wereldwijde schikking, alsmede
administratieve kosten, leiden tot een brutobedrag van circa USD 1,00 tot USD
1,30 per ‘qualifying share’ (EUR 0,90 tot 1,15). Houders van ‘qualifying shares’
uit de V.S. en van buiten de V.S. zullen ingevolge de overeenkomst gelijk worden
behandeld.
Ahold zal in twee termijnen bijdragen aan het schikkingsfonds, waaruit de
‘qualifying shares’ zullen worden betaald: tweederde van het schikkingsbedrag
zal op een geblokkeerde rekening worden gestort binnen drie dagen nadat de
voorlopige goedkeuring is verkregen van de federale rechtbank van het District
of Maryland, die reeds in januari 2006 wordt verwacht. Het resterende derde deel
zal op een geblokkeerde rekening worden gestort binnen zes maanden nadat
definitieve gerechtelijke goedkeuring van de schikking is verkregen.
De overeenkomst is onder voorbehoud van goedkeuring door de federale
rechtbank van het District of Maryland.
De VEB en Ahold zijn overeengekomen dat de VEB de door haar bij de
Ondernemingskamer van het Gerechtshof in Amsterdam aangespannen
jaarrekeningprocedure betreffende de jaren 1998, 1999, 2000, 2001 en 2002 zal
beëindigen. Als tegenprestatie voor de beëindiging van deze procedure en als
compensatie voor de gemaakte kosten, zal Ahold aan de VEB een bedrag van EUR 2,5
miljoen betalen.
Daarnaast, als onderdeel van haar verbintenis bij te dragen aan de
wereldwijde schikking en deze te faciliteren, heeft de VEB ermee ingestemd, na
openbaarmaking van het rapport van de onderzoekers in de zogeheten
‘enquêteprocedure’ voor de Ondernemingskamer van het Gerechtshof in Amsterdam,
geen vervolg te zullen geven aan die procedure en geen enkele gerechtelijke
procedure tot het verkrijgen van schadevergoeding te zullen beginnen.
Ahold zal in het derde kwartaal van 2005 een voorziening nemen van EUR 896
miljoen, welke zal resulteren in een last, na belastingen, van EUR 585 miljoen
in het derde kwartaal van 2005. Ahold verwacht een bedrag van circa EUR 100
miljoen uit hoofde van haar verzekeringen uitgekeerd te krijgen. Dit bedrag zal
niet worden verwerkt in het derde kwartaal van 2005. Ahold zal haar bijdrage aan
het schikkingfonds financieren uit beschikbare kasmiddelen.
In een commentaar op de schikkingen, zei Peter Wakkie, lid van de Raad van
Bestuur van Ahold en Chief Corporate Governance Counsel:
“Wij zijn verheugd met deze schikkingen, die betrekking hebben op alle
daarvoor in aanmerking komende aandelen op basis van gelijkwaardigheid. Wij
hebben gepoogd voor een eerlijke betaling te zorgen zonder het voortbestaan van
de onderneming of haar ondernemingsstrategie voor de komende jaren in gevaar te
brengen. Wij willen langdurige, kostbare en tijdrovende rechtszaken vermijden.
Dit zijn de laatste materiële civiele rechtszaken met aanzienlijke financiële
risico’s die voortvloeiden uit de feiten zoals bekendgemaakt in ons persbericht
van 24 februari 2003. De onderneming kan nu doorgaan en zich geheel op haar
bedrijfsactiviteiten richten.”
bron: Ahold
|